www.gothic-nederland.nl

 

De bio-holocaust


 

Tien jaar geleden leidde de deels 'preventieve' massaslachting van varkens in verband met een uitbraak van de varkenspest tot zoveel weerzin onder de Nederlandse bevolking tegen de intensieve veehouderij, dat de tijd rijp was om het maatschappelijk bewustzijn te voeden met een hausse aan de meest akelige en weerzinwekkende feitelijkheden omtrent de gang van zaken in de vleessector. Niet alleen organisaties voor dierenwelzijn, zoals het na de varkenspest door de schrijver JJ Voskuil opgerichte Varkens in Nood lieten van zich horen, maar ook individuen die zich voorheen niet in het publieke debat over de bio-industrie, voor zover dat überhaupt plaats had, mengden. Eén van hen was Robert Long, die enkele parallellen trok tussen de praktijken in de bio-industrie en de gebeurtenissen tijdens holocaust, de massamoord op zes miljoen joden, zigeuners en anderen tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hij stelde onder meer dat de varkensfokkers niet veel verschilden van de bewakers in de concentratiekampen. Deze en soortgelijke uitspraken leidden tot vele reacties, enerzijds gevuld met enthousiaste instemming, anderzijds met fel verwoorde afkeuring. De teneur van de laatste groep reacties kwam neer op de stelling dat de impliciete vergelijking van varkens met joden onheus en respectloos zou zijn. Ook werd de uniciteit van de holocaust er aan de haren bijgesleept; de vergelijking met de bio-industrie zou de gruwelen van de concentratiekampen indirect bagatelliseren. De voor- en tegenstanders van Long's stellingname zijn het niet eens geworden en na verloop van tijd stierf het debat een stille dood.
Inmiddels zijn we tien jaar verder. In de bio-industrie is sindsdien weinig veranderd. In negatieve zin hebben we verschillende besmettelijke veeziektes meegemaakt, die miljoenen dieren het leven kostten. In positieve zin hebben we de hoeveelheid organisaties die zich inzetten voor bewustmaking bij het publiek omtrent de gang van zaken in de bio-industrie en de intensiteit waarmee ze dit doen, zien toenemen. Ondanks dit alles leven en sterven in Nederland nog altijd vele tientallen miljoenen kippen, varkens, koeien, eenden, konijnen, geiten, schapen, struisvogels en kalkoenen in de meest afgrijselijke omstandigheden. Om mijn steentje bij te dragen aan het bewustwordingsproces ga ik in op Long's stelling van tien jaar terug.
Het is niet mijn bedoeling de slachtoffers van de holocaust en hun nakomelingen op welke wijze dan ook te beledigen; het onderstaande relaas is uitsluitend een vergelijking tussen twee verschijnselen die niet persé gelijkwaardig zijn, maar wel opvallende overeenkomsten vertonen. Mocht u zich na lezing tóch beledigd voelen of van mening zijn dat ik anderen beledig, dan meld ik u minzaam glimlachend dat ik daaraan niet de minste relevantie toeken.

De meest opvallende overeenkomsten tussen holocaust en bio-industrie zijn de uiterlijke aspecten. Omdat beelden meer impact hebben dan woorden, maak ik bij het verduidelijken hiervan gebruik van een aantal afbeeldingen. Door mij genoemde cijfers over de bio-industrie zijn afkomstig van de sites van Varkens in Nood en Wakker Dier.

Alleen al vanuit Nederland worden jaarlijks zo'n 3,5 miljoen varkens en biggen op transport gesteld naar andere Europese landen, waar zij direct na aankomst geslacht worden. Dit transport, dat vaak dagen of zelfs weken duurt, kenmerkt zich door buitengewoon dier-onvriendelijke omstandigheden. In vrachtwagens worden zoveel mogelijk dieren gepropt, die tijdens het transport niet kunnen beschikken over voedsel of water. Zeker tijdens warme dagen moeten zij happen naar adem.  Gemiddeld twee op de drie varkens zijn bij aankomst gewond, ernstig ziek of dood. 

 

De transporten waarmee tijdens de oorlog mensen vanuit heel Europa naar concentratiekampen, die veelal in het huidige Polen lagen, vervoerd werden, duurden eveneens vaak dagen tot weken. De mensen werden, veelzeggend in deze context, vervoerd in overvolle veewagens. Tijdens de reis werd een hoeveelheid water en voedsel beschikbaar gesteld die vaak volstrekt onvoldoende bleek. Als sanitair beschikte men slechts over een emmer of ton. De warmte van de zomer en de kou van de winter deden zich gelden; de veewagens waren vanzelfsprekend niet voorzien van airco of verwarming. Wanneer de trein op de plaats van aankomst arriveerde, waren vrijwel altijd doden te betreuren. Er zijn gevallen bekend waarbij een trein wekenlang op een zijspoor gerangeerd was geweest, als gevolg van oorlogshandelingen of anderszins, waardoor vrijwel alle inzittenden bij aankomst overleden waren..

De levensomstandigheden in de concentratiekampen waren zeer slecht. De gevangenen werden opgesloten in barakken die vaak van zeer inferieure kwaliteit waren. Slapen diende te gebeuren op houten stapelbedden, over het algemeen zonder matras, dekens en kussens. Deze hoeveelheid ruimte die dergelijke 'bedden' per gevangene boden was vaak gelijk aan de oppervlakte van zijn lichaam.

In de bio-industrie is de hoeveelheid ruimte per dier zodanig gering dat van min of meer normale, natuurlijke bewegingsvrijheid geen sprake is. Een kip kan slechts beschikken over een ruimte die kleiner is dan een A4-tje. De kippen kunnen hun vleugels niet spreiden. Ruim 30% van de kippen blijkt in het slachthuis aan te komen met botbreuken of ernstige kneuzingen die worden veroorzaakt door gebrek aan bewegingsmogelijkheden in de legbatterij en de ruwe behandeling tijdens het laden voor de rit naar het slachthuis.

Varkens worden, als ze jongen hebben, vastgezet tussen metalen hekken, waardoor ze geen kant meer op kunnen. De enige beweging die mogelijk is, is opstaan en weer gaan liggen. Men doet dat zodat de biggen in verband met het ruimtegebrek niet worden doodgedrukt door de moeder. Het varken wordt na verloop van tijd letterlijk gek van deze situatie. Schuimbekken, tandenknarsen en andere onnatuurlijke handelingen zijn aan de orde van de dag. Uiteraard is het varken niet in staat haar lichaam te verzorgen, waardoor wonden en huidziektes onbehandeld blijven. Na enkele jaren is het varken zo vernield dat de vruchtbaarheid afneemt. Het varken wordt dan afgemaakt.

Zowel in de bio-industrie als in de concentratiekampen speelt de dood een prominente rol. De gevangenen zijn geen mensen/dieren, maar producten. Concentratiekampen hadden een quotum waar het ging om het aantal gevangenen dat per dag gedood en 'verwerkt' moest worden. De bio-industrie heeft dergelijke quota ook; die worden vastgesteld door de wet van vraag en aanbod.
Mannelijke kuikens worden beschouwd als een afvalproduct. In Nederland worden jaarlijks dertig miljoen eendagskuikens gedood. Ze worden gedood met gas (de ironie in deze context zal u niet ontgaan) of levend vermalen. Dat laatste wordt opmerkelijk genoeg gezien als een humane manier van doden. Ook slachtkuikens en -kippen worden op machinale wijze gedood. Met een snelheid van honderd dieren per minuut worden zij, ondersteboven gehangen, onthoofd. Het zal duidelijk zijn dat dit een vorm is van productie waarbij iedere waardigheid van het 'product' is verdwenen. Dat was ook een kenmerk van de wijze waarop de gevangenen in concentratiekampen behandeld werden. Overlevenden spreken en schrijven allemaal over de vele vormen van ontmenselijking in de kampen. De vreselijke levensomstandigheden leidden tot mensonwaardig gedrag, dat uiteraard niet voortkwam uit slecht karakter, maar uit overlevingsdrang. Na lang verblijf in een kamp (en dan spreken we over maanden) verwerden de meeste gevangenen tot zogenaamde Müzelmänner, mensen die door de ontberingen alleen nog hun meest primitieve instincten volgden en iedere beschavingszin kwijt waren geraakt. Ook na de dood was de gevangenen geen menswaardige behandeling gegund. De foto achter deze link zegt wat dat betreft genoeg.

Uiteraard zijn er nog talloze overeenkomsten in de behandeling van gevangenen in de concentratiekampen en dieren in de bio-industrie te bedenken. Dat laat ik verder aan uw eigen onderzoeksvaardigheden over. De teneur moge duidelijk zijn.

Een andere, wellicht minder voor de hand liggende, overeenkomst tussen holocaust en bio-industrie wil ik nog wel noemen. De holocaust was voor de gewone burger een onzichtbaar proces. Er werd in de propaganda van rijkswege nauwelijks geheimzinnig over gedaan en het “Ich habe es nicht gewüsst” van na de oorlog is in veruit de meeste gevallen ronduit gelogen, maar de holocaust vond wel buiten het fysieke bereik van de burgers plaats. Men wist (in grote lijnen) wat er gebeurde, maar men zag het niet. Hierdoor werd de massamoord op miljoenen burgers een abstract proces. Het is niet voor niets dat juist Anne Frank zo'n bekend slachtoffer is geworden. Zij heeft dankzij haar dagboek een karakter gekregen, gevoelens, een gezicht, en is dus veel minder abstract dan de andere slachtoffers. Haar dagboek maakt haar tot een mens als u en ik, wat bij lezers tot een identificatieproces leidt.
De bio-industrie vindt plaats in afgesloten ruimtes. De woonruimtes van de dieren, de slachthuizen: je ziet ze alleen als je ze gaat opzoeken. De karbonade in de supermarkt lijkt niet op een dier, dus identificeert het overgrote deel van de klanten dat niet met het vreselijke lijden dat in de bio-industrie plaatsvindt. Verschillende organisaties die zich met dierenwelzijn bezighouden proberen dit identificatieproces te stimuleren door in te spelen op 'het dier achter het vlees', bijvoorbeeld door een foto van een varken en een foto van een bak gehakt naast elkaar te plaatsen. Dit zorgt voor een hoge mate van bewustwording; de psychologische lijnen zijn dezelfde als bij Anne Frank. De anonimiteit, de zich buiten het gezichtsveld afspelende slachtpartij, krijgt een gezicht. Dit gezicht zou naar mijn inzicht veel sterker en vaker naar voren moeten worden gebracht, met behulp van foto's, filmpjes, verhalen, feitjes, wat dan ook. Door de dieren in de bio-industrie te de-anonimiseren ontstaat bij de consument een identificatieproces dat er minstens voor zorgt dat hij zich steeds ongemakkelijker gaat voelen bij de oneindige slachtpartij die ook híj in stand helpt te houden. Want dat is wat wij doen. Waar we de holocaust erkennen als de meest gruwelijke misdaad uit de geschiedenis, kijken we weg van de holocaust die in de bio-industrie plaatsvindt. Als mensen gedwongen worden om de feiten onder ogen te zien, zal de bereidheid om meer te betalen voor vlees dat onder minder dier-onvriendelijke omstandigheden is geproduceerd of om helemaal te stoppen met het consumeren van vlees, zonder twijfel toenemen.

Tenslotte citeer ik hoogleraar theoretische geschiedenis F.R. Ankersmit, uit het Historisch Nieuwsblad van december 2000: “Kan men van de geschiedenis leren? Jazeker, maar dat vereist vaak de moed te erkennen dat je niet veel beter bent dan de mensen die wij nu zo makkelijk voor slecht en primitief verslijten. Laten we die fout nu eens een keer niet maken, onze bio-industriële concentratiekampen sluiten en die, net als Auschwitz, ombouwen tot een indrukwekkend monument ter eeuwige herinnering aan hoe we nooit of te nimmer opnieuw met natuur en dieren mogen omgaan”.


RdH, 190507